Nieuw insolventierecht in werking op 1 mei 2018 | Agoria

Nieuw insolventierecht in werking op 1 mei 2018

Afbeelding
Gepubliceerd op 02/05/18
Op 1 mei 2018 is Boek XX van het Wetboek Economisch Recht (WER) in werking getreden. Dit boek draagt de titel 'Insolventie van ondernemingen' en werd ingevoerd door de Wet van 11 augustus 2017 (BS 11 september 2017). Dit zijn de meest markante wijzigingen.

Uitbreiding van het toepassingsgebied

De Faillissementswet gold uitsluitend voor handelaars, terwijl de Wet op de continuïteit van de ondernemingen van toepassing was op handelaars, landbouwers, landbouwvennootschappen en burgerlijke vennootschappen met handelsvorm, met een uitzondering voor de vrije beroepers.

Het nieuwe Boek XX van het WER maakt de regels inzake faillissement en WCO van toepassing op de "onderneming", een begrip dat ruim wordt gedefinieerd:

  • iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent, 
  • iedere rechtspersoon, en
  • iedere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid. 

Elke persoon of entiteit die tot één van deze categorieën behoort, valt binnen het toepassingsgebied van Boek XX en kan bijgevolg zowel failliet verklaard worden, als het voorwerp zijn van een procedure van gerechtelijke reorganisatie. Vrije beroepers zullen voortaan binnen het toepassingsgebied van het insolventierecht vallen, net zoals zaakvoerders en bestuurders van vennootschappen. Ook vzw's, ivzw's en stichtingen vallen in principe onder het toepassingsgebied. De enige rechtspersonen die niet onderworpen zijn aan de regels van het insolventierecht zijn de Staat en haar gedecentraliseerde entiteiten. Feitelijke verenigingen worden ook als onderneming beschouwd wanneer zij een uitkeringsoogmerk hebben of in feite uitkeringen verrichten aan hun leden of aan personen die een beslissende invloed uitoefenen op het beleid van de vereniging.

Kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen, beleggingsondernemingen, beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, de verrekenings- en vereffeningsinstellingen en gelijkgestelde instellingen, de herverzekeringsondernemingen, de financiële holdings en de gemengde financiële holdings worden uitgesloten uit het toepassingsgebied van een groot deel van Boek XX.

Minnelijk akkoord in het kader van gerechtelijke reorganisatie

Het minnelijk akkoord onder de WCO werd weinig toegepast, omdat de betalingen die in het kader van dit akkoord tussen de schuldenaar en de schuldeiser gebeurden, achteraf bij een faillissement konden worden teruggevorderd. De schuldeiser had ook geen enkele mogelijkheid om het akkoord af te dwingen indien de schuldeiser het niet uitvoerde.

Het vernieuwd minnelijk akkoord verzekert de schuldeiser dat hij de betalingen die hij ontvangt kan behouden. Ook kan aan het akkoord uitvoerbare kracht worden gegeven, waardoor de schuldeiser een akkoord dat niet wordt nageleefd door de schuldenaar voor de rechtbank kan afdwingen. De schuldenaar kan een beroep doen op een ondernemingsbemiddelaar om hem bij te staan bij het opstellen van een akkoord met de schuldeisers. Deze bijkomende maatregelen moeten een doorstart van de onderneming gemakkelijker maken.

 Een tweede kans voor ondernemers die failliet gaan

Wie in een faillissementsprocedure zit, zal opnieuw kunnen starten met een onderneming zonder het einde van het lopende faillissement af te wachten. Goederen die de gefailleerde tijdens het faillissement verwerft – zoals bijvoorbeeld inkomsten uit nieuwe activiteiten – zullen niet langer deel te laten uitmaken van de boedel. De enige uitzondering op dit principe zijn de goederen die de gefailleerde tijdens het faillissement verkrijgt op grond van een oorzaak die aan het faillissement voorafgaat.

De regeling met betrekking tot de verschoonbaarverklaring van de gefailleerde die een natuurlijke persoon is, wordt vervangen door de kwijtschelding. De gefailleerde die een natuurlijke persoon is, kan op zijn vraag worden bevrijd van de restschulden, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de zakelijke zekerheden gesteld door de schuldenaar of derden. De rechter hoeft het einde van de faillissementsprocedure niet af te wachten om uitspraak te kunnen doen over het verzoek tot kwijtschelding.

Bestuurdersaansprakelijkheid in geval van faillissement uitgebreid

Een aantal bestaande wetsbepalingen in verband met de aansprakelijkheid bij faillissement worden van het vennootschapsrecht overgebracht naar het insolventierecht. Deze bepalingen worden van toepassing op alle ondernemingen, met uitzondering van de natuurlijke personen die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefenen. Zij viseren telkens de huidige of gewezen bestuurders, zaakvoerders, dagelijkse bestuurders, leden van een directieraad of van een raad van toezicht, evenals alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de onderneming werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad (de zogenaamde "feitelijke bestuurders").

De aansprakelijkheid wegens een kennelijk grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement bestond reeds in de NV, de BVBA en de CVBA en wordt uitgebreid tot alle rechtspersonen en organisaties zonder rechtspersoonlijkheid die een onderneming zijn in de zin van Boek XX. Deze aansprakelijkheidsgrond geldt niet voor kleine ondernemingen.

De objectieve aansprakelijkheid voor niet-betaalde sociale bijdragen in hoofde van de bestuurders of zaakvoerders die in een periode van vijf jaar voorafgaand aan het faillissement betrokken zijn geweest bij minstens twee faillissementen of vereffeningen met schulden ten aanzien van een inningsorganisme van de sociale zekerheidsbijdragen, wordt van toepassing op alle ondernemingen.

Het in de rechtspraak reeds aanvaarde leerstuk van "wrongful trading" wordt als nieuwe aansprakelijkheidsregel in Boek XX opgenomen. Een bestuurder of zaakvoerder kan in geval van faillissement geheel of gedeeltelijk aansprakelijk gesteld worden voor het netto-passief wanneer: (i) de betrokken persoon op enig ogenblik voor het faillissement wist of behoorde te weten dat er kennelijk geen redelijk vooruitzicht was om de onderneming of haar activiteiten te behouden en een faillissement te vermijden, (ii) hij op dat ogenblik bestuurder of zaakvoerder was en (iii) hij vanaf dat ogenblik niet heeft gehandeld zoals een normaal voorzichtig en zorgvuldig bestuurder in dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld. Deze aansprakelijkheidsgrond is niet toepasselijk op kleine vzw's, ivzw's of stichtingen.

Was dit artikel nuttig?