De klimaatregelgeving is niet altijd eenvoudig uit te leggen omdat ze meerdere sectoren omvat en de industrie opsplitst in twee verschillende categorieën: ETS en non-ETS. In dit artikel leggen we u zo eenvoudig mogelijk uit op welke manier de industrie is meegenomen in de klimaatregelgeving.


Opzet regelgevend kader voor het behalen van de klimaatdoelstellingen

Om tot een regelgevend kader voor het klimaat te komen, is er gestart met het doorlopen een aantal basisstappen:

  • In de eerste plaats moest bepaald worden wat er precies gerealiseerd moet worden. De conclusie was een reductie van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen.
  • Als tweede stap zijn vervolgens de activiteiten bekeken waardoor de broeikasgasemissies worden veroorzaakt: industriële productieprocessen, vervoer, bouw, afval, productgebruik, energieopwekking, etc.
    Hieruit werden hoofdoorzaken geïdentificeerd: een te hoge directe uitstoot van broeikasgassen, een te hoge energieconsumptie en te hoog gebruik van fossiele brandstoffen. Deze oorzaken werden vervolgens vertaald naar een drietal beleidsdoelstellingen; het verminderen van het totaal aantal broeikasgas emissies, het verhogen van energie efficiëntie van processen en producten en het verhogen van het aandeel hernieuwbare energie.
  • Als derde stap is er gekeken naar wie het beste geplaatst is om de activiteiten aan te passen zodat minder broeikasgassen  worden uitgestoten, waaronder de industrie. Een nadere kijk op de industriële uitstoot heeft aangetoond dat een kleine groep industrie verantwoordelijk is voor bijna de helft van de totale uitstoot. Daarop werd op Europees niveau besloten dat er een opdeling moest gemaakt worden tussen de energie-intensieve (44% van de totale uitstoot) en de overige sectoren (55% van de totale uitstoot), op basis van hun aandeel in de broeikasgasuitstoot. Vervolgens werd hieruit geconcludeerd dat er een apart beleid nodig was voor die energie-intensieve industrie. Dat beleid staat vandaag bekend als het ‘emission trading system’ (ETS).

 

Figuur 1: Schematische weergave van de opzet van de Europese klimaatregelgeving (Bron: Agoria)

Bepaling van de doelstelling voor het klimaatbeleid

Om de doelstelling voor het klimaatbeleid te bepalen werd advies gevraagd aan de wetenschap. Alle wetenschappelijke informatie m.b.t. klimaat wordt al sinds 1988 verzameld door het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). Uit de verzamelde informatie werd geconcludeerd dat het probleem een verhoging van de globale temperatuur op de aarde is, veroorzaakt door een te hoge concentratie aan broeikasgassen in de lucht. Voor de Industriële Revolutie (rond 1750) lag de concentratie van CO2 rond de 300 ppm. Vandaag is dit 400 ppm, terwijl dit idealiter rond de 350 ppm moet liggen om de temperatuurstijging ten opzichte van de Industriële Revolutie onder de 2 graden te houden.

Daarom zijn er op internationaal niveau doelstellingen geformuleerd, die vervolgens werden vastgelegd in een soort contract via de Verenigde Naties tussen alle landen op Aarde; het United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC).

België heeft zich samen met de andere lidstaten van de Europese Unie toegelegd op het reduceren van de broeikasgassen met 40% in 2030 ten opzichte van 1990. Deze doelstelling is door de Europese Unie via het ‘2030 climate and energy framework’ vertaald naar een reductie van 43% voor ETS en 30% voor non-ETS (in vergelijking met 2005). Deze indeling werd gemaakt op basis van sectoren en de grootte van hun aandeel in broeikasgasemissies. 

Voor meer informatie over de klimaatdoelstellingen van de Verenigde Naties en het UNFCCC, klik hier

ETS sectoren: energie-intensieve industrie en luchtvaart

Voor het bepalen van de ETS-sectoren werd gekeken naar een kleine groep bedrijven die verantwoordelijk zijn voor bijna de helft van de uitstoot: de energie-intensieve procesindustrie (bijvoorbeeld olieraffinaderijen, staalbewerking, organische bulkchemie (o.a. brandstofproductie) en ijzerproductie), de energieopwekkende industrie en de luchtvaartDeze bedrijven zijn allemaal verplicht om deel te nemen aan de ‘emissiehandel’; het Emission Trading System.

Dit systeem werkt globaal als volgt. Eerst werd bepaald hoeveel broeikasgassen mogen worden uitgestoten om de benodigde reductiedoelstelling voor Europa te halen (-21% in 2020 en -43% in 2030 in vergelijking met 2005). Deze hoeveelheid toegestane emissies is vervolgens omgezet in emissierechten, een soort ‘aandelen’. Het aantal ‘aandelen’ dat een bedrijf heeft, bepaalt hoeveel broeikasgassen dat bedrijf mag uitgestoten. Indien een bedrijf niet genoeg 'aandelen' heeft om de volledige uitstoot van het productieproces te dekken, moet het zijn productieproces aanpassen via innovatie of optimalisatie. Indien het dat niet ziet zitten, kan het als alternatief ook extra ‘aandelen’ bijkopen. Wanneer echter veel bedrijven extra ‘aandelen’ willen bijkopen, gaat de prijs van de ‘aandelen’ omhoog. Wanneer die ‘aandelen’ een hoge prijs hebben, wordt het mogelijk goedkoper om het productieproces aan te passen of te investeren in onderzoek naar emissiearme oplossingen. Dit is een afweging die het bedrijf moet maken.

Wanneer het aantal ‘aandelen’ van een bedrijf niet voldoende is om de emissie-uitstoot af te dekken, kan het een boete krijgen. De controle hierop, de strafbepaling en het beheer van het transactiesysteem voor de aandelen zijn de verantwoordelijkheid van de overheden per lidstaat. In België ligt deze verantwoordelijkheid bij het Vlaams, Waals en Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Energiebeleidovereenkomsten (EBO’s) voor de industrie

Het emissiehandelsysteem is gericht op energie-intensieve bedrijven en wordt op Europees niveau  georganiseerd. Naast dit systeem hebben lidstaten de mogelijkheid om met bedrijven een vrijwillige overeenkomst te sluiten waarin afspraken staan rond het verhogen van de energie-efficiëntie (en zo indirect de reductie van broeikasgasemissies). Deze afspraken zijn in het Vlaams Gewest vastgelegd in de ‘Energiebeleidovereenkomst (EBO)’ voor de periode 2014-2020 en in Wallonië in het ‘Accord de branche energie & CO2’ voor de periode 2014-2020. Beide overeenkomsten werden verlengd. Door aansluiting bij de overeenkomst bindt een bedrijf zich aan een regelmatige audit van het bedrijf. Dit is een bezoek waarbij een expert bekijkt welke maatregelen het bedrijf kan nemen om de uitstoot van broeikasgasemissies kan beperken, hetzij direct hetzij via vermindering van de energieconsumptie. Daarnaast verbindt het bedrijf zich tot het nemen van maatregelen met een bepaalde terugverdientijd.

Er bestaan energiebeleidsovereenkomsten voor de verschillende sectoren, voor ETS-bedrijven, niet-ETS bedrijven en KMO’s. De energiebeleidsovereenkomst voor deze laatste groep staat ook wel bekend als mini-EBO’s. De huidige energiebeleidsovereenkomsten lopen af in 2022 (Vlaanderen) en 2023 (Wallonië). Agoria volgt de verdere ontwikkelingen hierrond op.

Non-ETS sectoren: gebouwen, landbouw, transport, industrie en afval

Voor alle sectoren die niet onder ETS vallen, werd de categorie non-ETS bepaald. Hieronder vallen de bouw, landbouw, transport, de resterende industrie en afval. Deze sectoren vertegenwoordigen samen 55% van de totale broeikasgasemissies. Er werd besloten dat wat deze sectoren betreft, de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de beleidsmaatregelen. Ze worden hierbij ondersteund door een Europees klimaatbeleidskader. Een belangrijk deel hiervan is het Clean Energy Package, dat in 2016 door de Europese Commissie werd voorgesteld.

De opzet voor de ontwikkeling en uitvoering van beleidsmaatregelen werkt als volgt: de doelstelling voor de reductie van broeikasgassen bij non-ETS bedrijven wordt verdeeld over de landen die deel uitmaken van de Europese Unie. Deze doelstellingen per lidstaat zijn vastgelegd in de zogenaamde 'Effort Sharing Regulation’. Voor België is de doelstelling een reductie van 35% van de broeikasgasemissies ten opzichte van 2005.

Iedere land moet vervolgens in het Nationale Energie- en Klimaatplan (NECP) aangeven welke maatregelen zij plannen om de doelstelling te halen. De regels hiervoor zijn vastgelegd in Europese regelgeving, meer bepaald in de Verordening inzake de Governance van de Energie-unie. Naast de doelstelling voor de reductie van broeikasgassen werden ook een doelstelling voor energie-efficiëntie (32,5%) en hernieuwbare energie (32%) voor 2030 vastgelegd. Hiervoor zijn geen bindende doelstellingen per land vastgelegd, maar is elk land verplicht jaarlijks maatregelen te nemen die gelijk staan aan een bepaald percentage voor een bepaalde periode (bijvoorbeeld: 1,7% van de jaarlijkse energieverkoop en 0,8% van het gemiddelde van het jaarlijkse eindenergieverbruik voor de energie-efficiëntiedoelstelling van 2021-2030). Ook hiervoor is in richtlijnen vastgelegd op welke wijze maatregelen genomen en gerapporteerd moeten worden.

Voor meer informatie over de Verordening op de Governance van de Energieunie, klik hier

Verantwoording van de maatregelen voor non-ETS sectoren

Om te zorgen dat alle lidstaten voldoende maatregelen nemen om de klimaatdoelstellingen te behalen, hebben zij een soort managementsysteem opgezet. Dit systeem bestaat uit globaal genomen richtlijnen en verordeningen met verschillende soorten maatregelen, zoals ‘unie-maatregelen’ (o.a. Ecodesign en Energy labelling, EPB), maatregelen die verplicht door lidstaten omgezet moeten worden naar nationale wetgeving (o.a. uitwerking van een Nationaal Energie- en klimaatplan en lange termijn renovatiestrategie) en adviserende maatregelen (o.a. uitwerking van de Woningpas en de Smart Readiness Indicator) (zie Figuur 2).

Iedere lidstaat moet op basis van de verplichtingen en adviezen een pakket aan maatregelen samenstellen waarmee ze de klimaatdoelstellingen denkt te kunnen behalen. Unie-maatregelen zijn meteen geldig in alle Europese lidstaten en zijn bedoeld om de nationale inspanningen te ondersteunen. De realisatie van de klimaatdoelstellingen is verdeeld over meerdere periodes (o.a. 2013-2020, 2021-2030, etc.), zodat aan het einde van elke periode kan worden gemeten of er voldoende reductie van broeikasgasemissies gerealiseerd werd. Die bepaling is gebaseerd op een combinatie van statistieken uit Eurostat (o.a. energieconsumptiedata), een berekeningsmethodiek en de daadwerkelijke metingen van de concentraties van broeikasgassen. Indien geconcludeerd wordt dat de gerealiseerde reducties onvoldoende zijn, kan dit in de volgende periode gecorrigeerd worden door bijvoorbeeld een extra hoge doelstelling, extra maatregelen of financiële compensaties. De regels hiervoor zijn ook vastgelegd in richtlijnen en verordeningen op Europees niveau. Het eindpunt voor deze periodes is momenteel vastgelegd op 2050, wanneer de broeikasgasemissies binnen de Europese Unie met 80 tot 95% gedaald moeten zijn.

 

Figuur 2: Schematische interpretatie van de achterliggende gedachte aan het Europees regelgevend kader voor klimaat (Bron: Agoria)

Wat betekent dit concreet voor een fabrikant of invoerder?

Voor de verschillende soorten maatregelen (o.a. 'unie-maatregelen', verplichte omzettingen, adviezen) is het belangrijk dat een fabrikant of invoerder goed op de hoogte is en blijft van zowel de Europese als de nationale en gewestelijke regelgevingen. Daarvoor moet naar alle aspecten in het proces van de bedrijfsvoering gekeken worden. Maatregelen gericht op het productieproces zijn bijvoorbeeld onderdeel van de vergunning die een bedrijf moet hebben om te mogen opereren. Bij de ontwikkeling van nieuwe producten moet een fabrikant rekening houden met de verschillende soorten regelgevingen die producteisen voorschrijven, zoals de Ecodesign-regelgevingen (zie Figuur 3). 

Maar de regelgeving schrijft niet enkel verplichtingen voor. Ze biedt ook opportuniteiten voor verdere ontwikkeling, met name voor producten die de uitstoot van broeikasgasemissies verminderen. Zo levert het toepassen van duurzame bouwtechnologie een positieve bijdrage aan de bepaling van de energieprestatie van nieuwbouw en ingrijpende energetische renovaties (EPB). De indeling van toestellen op basis van hun energie efficiëntie in categorieën A++ t/m G via de Energy labelling-regelgeving stimuleert fabrikanten en invoerders om duurzamere toestellen te realiseren.

Een belangrijke uitdaging blijft natuurlijk om goed op de hoogte te zijn van de vele soorten initiatieven en regelgevingen die er momenteel rond klimaat zijn. De regelgeving stelt dat de verantwoordelijkheid om goed geïnformeerd te zijn over de geldende regelgeving, in de eerste plaats bij de bedrijven zelf ligt. Om die reden volgen de experts van Agoria deze regelgevingen op de voet. Ze proberen u zo goed en eenvoudig mogelijk inzicht te bieden in de verplichtingen en opportuniteiten ter zake en uw vragen hierover zo goed mogelijk te beantwoorden.

Figuur 3: klimaat- en energieregelgeving van toepassing op warmtepompen binnen Europa (Bron: Agoria)

De volgende stappen voor de klimaatregelgeving

Zoals blijkt uit het artikel is er nu al een vrij veelomvattend Europees regelgevend kader voor het realiseren van de klimaatdoelstellingen. De focus ligt nu op toepassing van deze regelgeving. Zowel de regelgeving voor de ETS- als de non-ETS-sector zijn al enkele jaren van kracht. Hierdoor is er al een zicht op de maatregelen die voldoende werken om de doelstellingen te halen en de maatregelen die mogelijk bijgestuurd moeten worden om voldoende resultaat te hebben. Zo weten we bijvoorbeeld dat de huidige renovatiegraad niet voldoende is om een bijna-energieneutraal (BEN/QZEN/NZEB) gebouwenpark te realiseren, zoals nochtans voorgeschreven door de Richtlijn Energieprestatie voor gebouwen (EPBD).

Het opstellen van de langetermijn renovatiestrategie (vereist vanuit de Richtlijn) is in België een gewestelijke bevoegdheid. Momenteel denken de gewesten daarom o.a. samen met stakeholders na over manieren waarop de renovatiegraad kan worden verhoogd op een kosteneffectieve manier. Voor andere sectoren en maatregelen wordt momenteel een gelijkaardige evaluatie gemaakt. Volgend jaar loopt de periode 2013-2020 af en zal de Europese Commissie vaststellen in hoeverre de door de Europese Unie gestelde doelstelling van 20% vermindering van de broeikasgasemissies is behaald en of de ETS- en non-ETS-doelstellingen voor de volgende periode van 2021-2030 moeten worden aangescherpt.