De wet betreffende werkbaar en wendbaar werk van 5 maart 2017 voert een nieuwe regeling inzake verplichte opleidingsinspanningen en hieraan verbonden sancties in.


 Een K.B. voert deze wet nu uit en voorziet:

  • een omschrijving van het begrip “individuele opleidingsrekening”,
  • de wijze waarop de werknemer in kennis moet worden gesteld van zijn opleidingskrediet,
  • de wijze waarop het aantal opleidingsdagen wordt vastgelegd voor werknemers die niet voltijds werken en /of wiens arbeidsovereenkomst niet het volledige kalenderjaar dekt,
  • het afwijkend regime voor de werkgevers die minimum tien en minder dan twintig voltijds equivalenten tewerkstellen,
  • een aantal bijkomende elementen die moeten worden vastgelegd door de Paritaire Comités. 

Belangrijk: uw opleidingsverplichtingen als werkgever, vindt u in eerste instantie terug in de in uw sector gesloten cao’s (zo hebben bv. volgende sectoren cao’s inzake opleiding: PC 111/209, PC 105/224, PC 200).

Indien uw sector niets heeft uitgewerkt, kan u de wettelijke opleidingsinspanning concretiseren op ondernemingsniveau via het instellen en toekennen van een opleidingskrediet op een individuele opleidingsrekening, waarvan het KB nu dedetails vastlegt. Bestaat er noch op sectoraal, noch op ondernemingsvlak een regeling, dan geldt in de onderneming een recht op opleiding van gemiddeld twee opleidingsdagen per jaar en per voltijds equivalent (= de suppletieve regeling). Ook voor dit suppletieve regime zijn er preciseringen in dit nieuwe KB.   

De individuele opleidingsrekeningen de wijze waarop de werknemer in kennis moet worden gesteld van zijn opleidingskrediet

De individuele opleidingsrekening bestaat uit een formulier dat volgende minimumvermeldingen bevat:

  • de identiteit van de werknemer (naam, voornaam, geboorteplaats en -datum, adres, rijksregisternummer),
  • het arbeidsregime waarin de werknemer wordt tewerkgesteld,
  • het bevoegde PC,
  • het opleidingskrediet (het aantal opleidingsdagen waarover de werknemer gedurende het kalenderjaar beschikt),
  • het aantal gevolgde opleidingsdagen en het aantal overblijvende dagen of het aantal over te dragen dagen naar het volgend jaar,
  • het groeipad.

Het formulier wordt bewaard in het persoonlijk dossier van de werknemer, bijgehouden door de personeelsdienst, onder papieren of elektronische vorm. Wanneer de individuele opleidingsrekening voor de eerste keer wordt ingevoerd, stelt de werkgever alle betrokken werknemers daarvan in kennis. De werkgever stelt ook elke nieuwe betrokken werknemer in kennis van het bestaan van een individuele opleidingsrekening binnen het bedrijf.

Telkens wanneer de werknemer een opleiding volgt, worden de gevolgde opleidingsdagen zo snel mogelijk in de individuele opleidingsrekening vermeld.

De werknemer heeft het recht om op eenvoudige aanvraag zijn opleidingsrekening op elk ogenblik te raadplegen en daarin wijzigingen aan te brengen mits het akkoord van zijn werkgever.

Minstens één keer per jaar brengt de werkgever de werknemer op de hoogte van het saldo van het opleidingskrediet en herinnert hem aan zijn recht tot raadpleging van zijn individuele opleidingsrekening en zijn recht tot correctie van fouten. 

Werknemers die niet voltijds werken of niet het volledige kalenderjaar zijn tewerkgesteld

In het kader van de individuele opleidingsrekening en de suppletieve regeling wordt voor de werknemers die niet voltijds werken of niet het volledige kalenderjaar zijn tewerkgesteld, het aantal opleidingsdagen bepaald met volgende formule: AxBxC, waarbij

  • A = het aantal opleidingsdagen toegekend op het niveau van de onderneming voor een voltijds tewerkgestelde werknemer;
  • B = het arbeidsregime van de werknemer, in vergelijking met een voltijds regime;
  • C = het aantal maanden gedeeld door twaalf gedurende dewelke de werknemer werd tewerkgesteld in de onderneming.

Elke begonnen maand wordt beschouwd als een volledig gepresteerde maand. 

Afwijkend regime voor werkgevers die minimum tien en minder dan twintig voltijds equivalenten tewerkstellen

De nieuwe regeling inzake de opleidingsinspanningen is niet van toepassing op de werkgevers die minder dan tien werknemers (uitgedrukt in voltijds equivalenten) tewerkstellen.

Voor werkgevers die minimum tien en minder dan twintig voltijds equivalenten tewerkstellen geldt volgend afwijkend regime:

  • de werkgever bepaalt, vóór 31 december van het eerste jaar van de tweejaarlijkse periode startend op 1 januari 2017, en vóór 30 september van het eerste jaar van elke daaropvolgende tweejaarlijkse periode, op basis van de loonmassa van zijn onderneming, het gemiddeld aantal dagen waarover de werknemers beschikken, zonder dat het resultaat van de omzetting lager mag zijn dan het aantal opleidingsdagen, voorzien op het niveau van zijn onderneming in de periode 2015- 2016, met, gemiddeld, minimum één dag, per jaar, per voltijds equivalent. Het aantal door de werkgever vastgestelde dagen zal van toepassing zijn voor de periode 2017 - 2018, alsook voor alle daaropvolgende periodes van twee jaar zonder afbreuk te doen aan het recht van de werkgever om een nieuw aantal opleidingsdagen te kunnen bepalen. In geen geval mag dat nieuwe aantal opleidingsdagen lager zijn dan het aantal toegekend voor de voorgaande tweejaarlijkse periode startend op 1 januari 2017;

  • De werkgever bepaalt ook het groeipad, met het oog op het bereiken, op interprofessioneel niveau, van de doelstelling van een gemiddelde van 5 dagen opleiding per voltijds equivalent per jaar;

  • Bij gebrek aan vaststelling van het aantal opleidingsdagen door de werkgever, voor de hierboven voorziene datum, beschikken de werknemers gemiddeld over minimum één dag opleiding per jaar per voltijds equivalent;

  • De opvolging en de mededeling aan de werknemer betreffende de individuele opleidingsrekening gebeuren overeenkomstig de algemene regels (zie hierboven).

Het aantal tewerkgestelde werknemers wordt berekend in voltijdse equivalenten op basis van de gemiddelde tewerkstelling van het jaar voorafgaand aan de tweejaarlijkse periode die voor de eerste keer op 1 januari 2017 is begonnen.

Opgelet: mogelijkerwijze maakt uw PC voor de opleidingsverplichtingen geen / een ander onderscheid naargelang de grootte van de onderneming. 

Ter herinnering

Vanaf 1 januari 2017 werd de vroegere interprofessionele doestelling van de besteding van 1,9 % van de totale loonmassa aan opleiding vervangen en omgezet naar een nieuwe interprofessionele doelstelling van gemiddeld vijf opleidingsdagen per voltijds equivalent en per jaar.

Deze opleidingsinspanning kan worden georganiseerd op sectoraal vlak in een cao.

Indien er geen sectorale regeling is, kan de opleidingsinspanning worden georganiseerd op het niveau van de onderneming door de toekenning van een opleidingskrediet op een individuele opleidingsrekening. Het opleidingskrediet waarover de voltijdse werknemer die het ganse jaar in dienst is, op jaarbasis beschikt kan in ieder geval niet lager zijn dan het equivalent van 2 dagen. De individuele opleidingsrekening moet in een groeipad voorzien waarin het aantal opleidingsdagen wordt verhoogd om de interprofessionele doelstelling van gemiddeld 5 opleidingsdagen per jaar per voltijds equivalent te bereiken. De werkgever stelt de werknemer in kennis van dit groeipad. Het saldo van het niet-opgebruikte opleidingskrediet wordt op het einde van het jaar overgedragen naar het daaropvolgende jaar, zonder dat dit saldo in mindering mag gebracht worden van het opleidingskrediet van de werknemer in dat volgende jaar.

Bestaat er noch op sectoraal, noch op ondernemingsvlak een regeling, dan geldt in de onderneming een recht op opleiding van gemiddeld twee opleidingsdagen per jaar en per voltijds equivalent (suppletieve regeling).  De opleiding kan door de werknemer binnen of buiten zijn gewone werktijden worden gevolgd. Wanneer de opleiding buiten de gewone werktijden wordt gevolgd, geven de uren die daarmee overeenkomen recht op de betaling van het normale loon, zonder eventueel overloon.

De werkgever legt rekenschap af van de wijze waarop hij zijn opleidingsverplichting is nagekomen door het invullen van de sociale balans.

Datum van inwerkingtreding: 1 februari 2017 

Bron: Koninklijk besluit van 5 december 2017 houdende uitvoering van afdeling 1 van hoofdstuk 2 van de wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk, BS 18 december 2017.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met de "first points of contact" in uw regio:

  • Antwerpen-Limburg
  • Brussel - Brabant
  • Oost- en West-Vlaanderen