De Richtlijn Energieprestatie voor gebouwen (EPBD) bepaalt dat elke lidstaat minimumvereisten moet opstellen voor nieuwbouw en ingrijpende energetische renovaties. Deze maatregelen leveren een belangrijke bijdrage aan de klimaatdoelstellingen via de reductie van broeikasgasemissies door verwarming en koeling van gebouwen. Wat is de actuele stand van zaken? 


Wat is de energieprestatieregelgeving (EPB)?

Het EPB is het instrument dat wordt ingezet om nieuwbouw of renovaties gelijkwaardig aan nieuwbouw te realiseren met een hogere energie-efficiëntie en een lagere uitstoot van broeikasgasemissies. Het basisprincipe is om via het opleggen van minimumeisen reeds in de ontwerpfase te pushen voor meer energie-efficiëntie. De lidstaten hebben hiertoe een minimumniveau aan energieprestatie bepaald dat een gebouw moet halen. Daarnaast is er in elke lidstaat een methodiek ontwikkeld om objectief te kunnen toetsen of een ontwerp wel of niet aan dat minimumniveau voldoet.

Het principe dat elke lidstaat minimumvereisten voor gebouwen moeten hebben, is vastgelegd in de Richtlijn Energieprestatie van Gebouwen (EPBD). De hoogte van het minimale prestatieniveau is een keuze van de lidstaten. Naast de eisen voor de totale energieprestatie van het gebouw, worden er ook aanvullende randvoorwaarden gedefinieerd in de vorm van minimumwaarden voor isolatie, etc. De eisen verschillen voor residentiële en niet-residentiële gebouwen. Voor de niet-residentiële gebouwen wordt er een verder onderscheid gemaakt tussen de vereisten per beoogde functie. 

Links naar de minimumvereisten per gewest:

Impact van de EPBD-herziening

De Richtlijn omvat een aantal vereisten voor optimalisatie van de EPB-methodiek en vraagt aandacht voor de integratie van vereisten voor technische bouwsystemen en smart technologie.

Vereisten voor technische installaties leiden tot wijziging van de correctiefactoren, die toegepast worden in het EPB (bijvoorbeeld artikel 8, 9 en 14 van de EPBD). De verwijzingen naar smart technologie zijn meer indirect. De Richtlijn omvat een aantal vereisten rond het voorzien van infrastructuur voor elektromobiliteit, het monitoren van het verbruik van technische bouwsystemen en een Smart Readiness Indicator (SRI). De Richtlijn probeert de link tussen de bouwnormen en de EPB-rekenmethodiek te versterken door het belang van toepassing te benadrukken. Daarnaast moeten lidstaten verplicht hun berekeningsmethodiek gaan omschrijven volgens Annex A van de normen ISO 52000-1, 52003-1, 52010-1, 52016-1 en 52018-1. Ook vraagt de Richtlijn dat de numerieke indicator van het primaire energieverbruik van een gebouw in kWh/m2 per jaar wordt uitgedrukt voor de energieprestatiebepaling van zowel bestaande bouw als nieuwbouw. 

Voor meer informatie over de herziening van de EPBD, klik hier

Implementatie in België 

De implementatie van de minimumvereisten uit de Richtlijn Energieprestatie van gebouwen (EPBD) is een gewestelijke bevoegdheid in België. Dit betekent dat er per gewest aparte eisen zijn gedefinieerd op basis van het bijna-energieneutrale (BEN) niveau dat in 2050 voor alle gebouwen behaald moet worden. De methodiek voor het toetsen van de vereisten en de bijbehorende software zijn in de drie gewesten nagenoeg hetzelfde doordat deze gezamenlijk wordt ontwikkeld. De uiteindelijke indicator voor het uitdrukken van de energieprestatie (de output van de berekening) is wel weer anders in elk gewest. Zo wordt in het Vlaams Gewest gesproken over het E-peil, in het Waals Gewest over Niveau Ewnaast een numerieke indicator uitgedrukt in kWh/m2/jaar en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest over de NEV (netto energiebehoefte voor verwarming) en PEV (primair energieverbruik) uitgedrukt in kWh/m².jaar. De gewesten werken samen via een overleg en worden ondersteund door het EPB-consortium.

Vormgeving van de methodiek

Om op objectieve wijze te kunnen toetsen of een (ontwerp van een) gebouw voldoet aan minimumvereisten, is het noodzakelijk een methodiek op te stellen waarmee de energieprestatie van het gebouw berekend kan worden. De moeilijkheid zit in de vele verschillende types van gebouwen waarvoor die methodiek bruikbaar moet zijn. Ook zal de methodiek representatief zijn op één meetmoment, terwijl het energieverbruik in een gebouw kan veranderen gedurende de levensduur. Er zijn daarom een aantal overwegingen van groot belang bij de ontwikkeling van de methodiek:

  • De methodiek moet voldoende nauwkeurig zijn om ervoor te zorgen dat alle behaalde energie-efficiëntie, zowel op het niveau van het gebouw als op dat van de individuele toegepaste producten, meegeteld kan worden. Indien dit niet mogelijk is, zullen er meer inspanningen gedaan moeten worden om het vereiste minimale prestatieniveau te behalen.
  • De methodiek moet voldoende flexibel zijn wat betreft de keuze in toe te passen bouwtechnieken en bouwtechnologieën, om zoveel mogelijk vrijheid te garanderen in het ontwerpproces. Dit om te voorkomen dat de kostprijs van het ontwerp te duur wordt als gevolg van een monopolie.
  • De methodiek moet voldoende representatief zijn voor het uiteindelijke energieverbruik van het gebouw. Dit om te garanderen dat er daadwerkelijk minder energieverbruik en dus een vermindering in CO2-uitstoot gerealiseerd wordt.
  • Het energieverbruik als gevolg van het gebruik van het gebouw kan, ondanks de grote impact op de uiteindelijke energiefactuur, niet worden meegenomen in de berekening. De reden is dat het gebruik gedurende de levensduur van een gebouw regelmatig wijzigt (zie afbeelding 1).

Afbeelding 1: Impressie van factoren met een impact op het energieverbruik tijdens de levensduur van een residentieel gebouw 

Ontwikkeling van de methodiek

De ontwikkeling van de energieprestatiemethodiek is een continu proces. Betere softwaremogelijkheden, nieuwe bouwproducten en verbeteringen in de energetische kwaliteit van gebouwen zorgen voor steeds meer mogelijkheden om een nog representatievere methodiek op te stellen. De nood hieraan wordt versterkt doordat de energieprestatie van gebouwen over het algemeen steeds beter wordt. Waar ruim 10 jaar geleden warmteverlies de grootste impact had op het energieverbruik van het gebouw, blijken in gebouwen met een hoge energieprestatie andere factoren (zoals warmtewinsten door de zon) van grotere invloed te zijn. Dit vergt een andere benadering in de berekening. De kennisontwikkeling rond de vormgeving van de energieprestatiemethodiek gebeurt op verschillende manieren. In België wordt de kennisopbouw rond de vormgeving getrokken door de gewestelijke administraties. Zij werken hiervoor samen met het EPB-Consortium, dat in 2015 voor dit doel werd opgericht onder leiding van het Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf (WTCB), en meerdere stakeholders. Binnen Europa wordt de kennisontwikkeling opgebouwd via de vormgeving van Europese EPBD-normen, die 2007 in opdracht van de Europese Commissie werden ontwikkeld. 

It takes a village…

De vormgeving van de methodiek om de energieprestatie van een gebouw te bepalen vereist het bij elkaar brengen van verschillende expertises. Zowel kennis over de invoer en de uiteindelijke opmaak van de berekening, als over de vormgeving van de software, de opmaak van de regelgeving, de bijbehorende beleidsprocessen en de wetenschappelijke bepaling van te gebruiken (gestandaardiseerde) parameters zijn noodzakelijk. De kennishouders van deze expertises zijn over het algemeen verschillend (zie afbeelding 2):

  • Verslaggeving

In België zijn de kennishouders hierrond over het algemeen de EPB-verslaggevers (en architecten actief als EPB-verslaggever). Zij maken de berekening om de energieprestatie van een gebouw te bepalen. Zij hebben hiervoor een goed begrip van de vormgeving van het te realiseren gebouw en de wijze waarop deze in de methodiek moet worden ingevoerd nodig.

  • Software

Gelet op de complexiteit van de methodiek, wordt er een software gebruikt om de uiteindelijke berekening uit te voeren. De omzetting van de set formules en parameters waaruit de methodiek bestaat, wordt uitgevoerd door softwareontwikkelaars. Zij hebben hiervoor een goed begrip nodig van wat er precies moet worden berekend en hoe dit zo gebruiksvriendelijk mogelijk gepresenteerd kan worden aan de EPB-verslaggever. 

  • Regelgeving

Vermits het EPB een officieel toetsingsinstrument is, moet de wijze van berekening worden vastgelegd in regelgeving. In België is een beschrijving van de methodiek bestaande uit formules en te gebruiken parameters, die verschillen van gewest tot gewest. Daarnaast is er een handhavingskader opgesteld dat bepaalt wat er moet gebeuren indien een gebouw niet aan de vereisten voldoet en wie daarvoor verantwoordelijk is. Dit vergt expertise over de beleidsprocessen om regelgeving te maken. 

  • Onderzoek

Om te bepalen hoe de berekeningsmethodiek het beste wordt vormgegeven, wordt er onderzoek uitgevoerd. Dit is gericht op het bepalen van enerzijds de formules en anderzijds de parameters die gebruikt mogen worden. Die parameters zijn een soort herleiding van het gedrag van bijvoorbeeld een bouwtechnologie in een gebouw naar het “eenmalige moment” waarvoor de energieprestatie wordt bepaald. De kennis hierover zit verspreid bij verschillende partijen zoals de kennisinstellingen en de industrie. 

Wat een goed voorstel lijkt voor de ontwikkeling van de methodiek vanuit één expertise, kan de werkzaamheden voor andere expertises zeer complex maken. Het ontwikkelproces is daardoor een constante zoektocht naar consensus.

Afbeelding 2: schematische interpretatie van de verschillende fasen in de ontwikkeling van energieprestatiemethodieken

Actuele ontwikkelingen

Vermits nieuwbouw steeds energiezuiniger wordt en daardoor een grotere nauwkeurigheid in de methodiek vereist, wordt er nagedacht over hoe de methodiek er in de toekomst uit moet komen te zien. Eén van de vragen is of de huidige methodiek en software nog aan de toekomstige vraag zullen kunnen voldoen. In 2017 besloten de drie gewesten daarom om EPB 2.0 op te starten; een gezamenlijk project om te bekijken hoe een herziening van het EPB-beleidskader vorm zou kunnen krijgen en hoe een aantal veelgehoorde klachten in de methodiek opgelost zouden kunnen worden. Hierin stonden onder andere de volgende discussiepunten centraal:

  • Kleinere gap tussen reëel en theoretisch verbruik
    Om een goede inschatting te kunnen maken van de daadwerkelijk gerealiseerde vermindering in CO2-uitstoot via EPB, is de nauwkeurigheid van de bepaling van de energieprestatie van het gebouw belangrijk. In de praktijk wordt ondervonden dat het werkelijke energieverbruik en de berekende energieprestatie ver uit elkaar kunnen liggen. Binnen de discussie worden de mogelijkheden bekeken om een nauwkeuriger eindresultaat te realiseren zonder de methodiek zelf te complex te maken.
  • Vereenvoudiging
    Het verzamelen van de hoeveelheid data die voor de berekening van de energieprestatie van een gebouw nodig is, kan veel tijd in beslag nemen. Dit is afhankelijk van het aantal parameters dat moet worden ingevuld en van de beschikbaarheid van de data. Dit vergt een afweging tussen de gewenste nauwkeurigheid van de methodiek, de mogelijkheden om de berekening van bepaalde parameters te automatiseren en de impact op de uiteindelijke energieprestatie. Binnen de discussie wordt gekeken naar manieren waarop de invoer zo eenvoudig mogelijk kan verlopen met minimalisatie van het risico op fouten zonder dat de nauwkeurigheid van het eindresultaat verloren gaat.
  • Versnelde integratie van innovatie
    Ook een vorm van vereenvoudiging voor fabrikanten en leveranciers van bouwproducten en -technologie, is een versnelling van de procedure om nieuwe innovaties in de methodiek gevaloriseerd te krijgen. Momenteel kost dit enkele jaren, terwijl er binnen die tijd vaak al meerdere nieuwe innovaties op de markt zijn gebracht. Voor valorisatie is het echter op dit moment noodzakelijk om parameters aan te passen en dus de regelgeving aan te passen. Een wijziging aan de regelgeving betekent ook het voorzien van opleidingen. Dit vergt tijd. De discussie en het bijbehorende onderzoek richten zich daarom (onder andere) op het zoeken van een manier waarop de integratietijd verkort kan worden zonder dat de regelgeving te vaak gewijzigd moet worden.
  • Comfort en gezondheid
    Een belangrijke randvoorwaarde voor het realiseren van kwalitatieve energiezuinige gebouwen is de realisatie van een comfortabel en gezond binnenklimaat. Dit gaat bijvoorbeeld over regelmatige verversing van de lucht in een ruimte. Indien een kantoorruimte niet over voldoende ventilatie beschikt, kan dit concentratieproblemen veroorzaken. Behalve te streven naar optimale vermindering van warmteverlies, moet er dus net zo goed gekeken worden naar het garanderen van goede luchtkwaliteit. De discussie hierrond richt zich onder andere op de integratiemogelijkheden van smart technologie voor monitoring en het aanpassen van specifieke onderdelen van de methodiek.
  • Handhaving
    Het toetsen van gebouwen op hun energieprestatie betekent dat er ook gevolgen geformuleerd zijn voor het geval een gebouw niet voldoet. Ook moet er een verantwoordelijke worden aangewezen. In de huidige opzet van de methodiek hebben de EPB-verslaggevers de grootste (eind)verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het EPB-rapport. Dit betekent concreet dat zij boetes kunnen krijgen indien er een fout in dit rapport zit; ook indien zij niet altijd de mogelijkheid hebben hier iets aan te doen. In de discussie wordt daarom bekeken op welke wijze de handhaving het beste kan worden vormgegeven om ervoor te zorgen dat opmaak van het rapport accuraat gebeurt, maar ook uitvoerbaar blijft. 

Het Vlaams Gewest nam binnen het gezamenlijk project de verantwoordelijkheid op voor de herziening van het beleidskader. Het Waals Gewest nam de verantwoordelijkheid voor de herziening van de software. In 2019 werd besloten om de herziening te richten op het onderzoeken van mogelijkheden voor vereenvoudiging van het beleidskader. Daarnaast wordt ook gezocht naar een oplossing voor de versnelde integratie van innovatie. Dit heeft tot doel de procedure om nieuwe producten in de methodiek te integreren, te vereenvoudigen voor fabrikanten en leveranciers.

Rol van Agoria

Als kennishouder van de bouwtechnologie probeert Agoria een bijdrage te leveren aan de discussie met input over de inputparameters en bijbehorende data voor bouwtechnologieproducten. Hiervoor is Agoria actief als stakeholder in de lopende EPB-discussies en voert het ook eigen studies uit. Zo werkte Agoria in 2018 een standpunt uit om te pleiten voor verdere optimalisatie van de methodiek. Ook werd in 2019 een studie afgerond gericht op de uitwerking van opties voor de integratie van de uurlijkse methode op basis van de norm EN ISO 52016-1 . Agoria gaf hierover een presentatie tijdens de studiedag ‘EPB/EPC 2.0 en innovatie’ op 24 juni 2019.